|
|
|

Gesolidariseerd pensioenfonds

Voor wie?

Werkgevers aangesloten bij het Gesolidariseerde pensioenfonds

Alle lokale besturen zijn voor hun vastbenoemden in principe aangesloten bij het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen.

Dit geldt voor:

  • alle provinciale en plaatselijke besturen die op 31-12-2011 aangesloten waren bij pool 1 of pool 2
    en
  • voor alle lokale politiezones die op die datum aangesloten waren bij pool 5.

Zijn ook aangesloten bij het Gesolidariseerde pensioenfonds:

  • een lokaal bestuur dat geen vastbenoemden meer in dienst heeft, maar waarvoor de Federale Pensioendienst (FPD) een overheidspensioen uitbetaalt aan de vroegere vastbenoemden;
  • elk nieuw lokaal bestuur (bv. de hulpverleningszones, een autonoom gemeente- of provinciebedrijf, een OCMW-vereniging naar publiek recht…) dat:
    • na 31-12-2011 opgericht werd 
      en
    • vastbenoemden in dienst neemt.

Zijn niet aangesloten bij het Gesolidariseerde pensioenfonds:

  • de lokale besturen die in het kader van de lokale autonomie ervoor kozen om zich op 01/01/2012 niet aan te sluiten.

Provinciale en plaatselijke besturen die op 1-1-2012 ambtshalve aangesloten werden

De lokale besturen die tot 31/12/2011 voor de pensioenen van hun vastbenoemden aangesloten waren bij een pensioeninstelling of die een eigen pensioenkas hadden:

  • werden op 01/01/2012 ambtshalve aangesloten bij het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen

    tenzij
  • ze de Minister van Pensioenen met een aangetekend schrijven vóór 15/12/2011 verwittigden van hun weigering tot aansluiting.

De ambtshalve aansluiting was budgettair neutraal voor de lokale besturen. Het Gesolidariseerde pensioenfonds nam een volume aan lopende pensioenen over dat gelijk was aan de pensioenbijdragen die het bestuur voor de vastbenoemden verschuldigd is in het aansluitingsjaar.

De eventuele gunstigere lokale pensioenregeling die een lokaal bestuur aan zijn gepensioneerde vastbenoemden toekent op basis van een lokaal pensioenreglement, blijven gegarandeerd na de ambtshalve aansluiting. Het bestuur moet de niet gesolidariseerde pensioenlasten wel volledig zelf dragen. De FPD of de pensioeninstelling stuurt de werkgever een aparte factuur voor het verschil tussen het wettelijk pensioen en de lokale pensioenregeling. Het lokaal bestuur kan de voordelen van de gunstigere regeling nooit ten laste leggen van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen.

De reserves die een lokaal bestuur in het verleden opgebouwd had, bleven behouden en werden niet overgedragen aan het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen. Die reserves kunnen gebruikt worden om de pensioenbijdragen te betalen of om de niet overgenomen pensioenen te financieren. Het lokaal bestuur kan de reserves door een pensioeninstelling laten beheren.

De lokale politiezones die ambtshalve aangesloten zijn

De lokale politiezones en hun actieve en gepensioneerde vastbenoemden, zijn aangesloten bij het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen. Dit is niet het geval voor het vastbenoemd federaal politiepersoneel, waaronder de voormalige rijkswachters en de leden van de voormalige gerechtelijke politie, die aangesloten zijn bij het Fonds voor de pensioenen van de federale politie, dat ook door de FPD wordt beheerd.

Het Gesolidariseerde pensioenfonds draagt alle pensioenen en alle pensioenaandelen die betrekking hebben op prestaties, geleverd als vastbenoemd personeelslid van de voormalige gemeentepolitie (= vóór de politiehervorming) of een lokale politiezone (= vanaf de politiehervorming).

De pensioenen van de voormalige gemeentepolitie die al liepen bij de oprichting van het pensioenfonds van de geïntegreerde politie op 01/04/2001 en die tot 31/12/2011 gedragen werden door pool 1, 2, 3 of 4, worden vanaf 01/01/2012 ten laste genomen door het Gesolidariseerde pensioenfonds en worden beschouwd als een pensioenlast van de politiezone en niet als een pensioenlast van de gemeente.

Andere lokale besturen die na 31-12-2011 ambtshalve aangesloten zijn

Elk lokaal bestuur dat na 31/12/2011 opgericht wordt of dat na deze datum voor het eerst vastbenoemden in dienst neemt, wordt ambtshalve aangesloten bij het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen. Dit was o.a. het geval voor de hulpverleningszones.

Lokale besturen die niet bij het Gesolidariseerde pensioenfonds aangesloten zijn

Volgende lokale besturen werden niet aangesloten bij het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen:

  • besturen die voor hun vastbenoemden op 31/12/2011 een eigen pensioenkas hadden
    of
  • die aangesloten waren bij een voorzorgsinstelling,

Zij moesten de minister van Pensioenen vóór 15/12/2011 met een aangetekende brief op de hoogte brengen dat ze niet wilden aansluiten.

De niet aangesloten lokale besturen beslissen zelf over de financiering van hun pensioenen. Zij kunnen kiezen voor:

  • een systeem van repartitie;
  • een systeem van kapitalisatie;
  • een gemengd systeem.

De niet aangesloten lokale besturen kunnen het beheer en de betaling van het pensioen van hun benoemd personeel toevertrouwen aan een pensioeninstelling of (op basis van een conventie en tegen betaling) aan de FPD.

Een niet aangesloten bestuur kan zich met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar aansluiten bij het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen.

Werknemers die bij het Gesolidariseerde pensioenfonds aangesloten zijn

Alle (actieve en gepensioneerde) vastbenoemde personeelsleden van de aangesloten besturen vallen onder het toepassingsgebied, ongeacht de datum van de vaste benoeming.

Zijn ook aangesloten bij het Gesolidariseerde pensioenfonds:

  • de gewestelijke ontvangers in dienst van het Vlaams en het Waals Gewest.

Zijn niet aangesloten bij het Gesolidariseerde pensioenfonds:

  • de gepensioneerde vastbenoemde personeelsleden van de aangesloten besturen waarvan de pensioenen niet overgenomen/gesolidariseerd werden in het kader van de aansluiting bij het Gesolidariseerde pensioenfonds (vanaf 01/01/2012) of bij pool 2 (vóór 01/01/2012).

Hoe aansluiten bij het Gesolidariseerde pensioenfonds?

Een bestuur dat niet aangesloten is kan zich met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar aansluiten bij het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen.

Een bestuur dat beslist om zich aan te sluiten bij het gesolidariseerd pensioenfonds moet met een aangetekende brief de beslissing tot aansluiting bezorgen aan de RSZ. De brief preciseert of het bestuur de toekenning, het beheer en de betaling van de pensioenen zal toevertrouwen aan de FPD of aan een pensioeninstelling en of het zelf instaan voor de betaling van de pensioenbijdragen aan de RSZ of deze bijdragebetaling zal toevertrouwen aan een pensioeninstelling.

De RSZ raamt op basis van de DmfAPPL-gegevens het bedrag van de loonmassa die het bestuur tijdens het jaar van aansluiting zal betalen aan de vastbenoemden en bezorgt deze raming aan de FPD.

Het bestuur bezorgt de dienst 'Financieel beheer pensioenstelsels ambtenaren' van de FPD (mailadres: HB4@sfpd.fgov.be) alle gegevens die nodig zijn voor de vaststellingen van de last van de rust- en overlevingspensioenen in het jaar van aansluiting. Een naamlijst met vermelding van de begunstigden van de rust- en overlevingspensioenen of van de pensioenaandelen die lopen op de datum van de aansluiting, moet in de volgorde van hun ingangsdatum bezorgd worden aan voormelde dienst van de FPD en zo nodig aan de pensioeninstelling die zal zorgen voor het beheer en de betaling van de pensioenen. Voor elk pensioen en pensioenaandeel vermeldt de lijst het brutomaandbedrag op de datum van de aansluiting. Op basis van deze gegevens bepaalt de FPD voor elk bestuur voorlopig de ingangsdatum waarop de pensioenen en de pensioenaandelen overgenomen kunnen worden.

De FPD bepaalt dan in de loop van het jaar dat volgt op dat van de aansluiting, de definitieve ingangsdatum waarop de pensioenen of pensioenaandelen overgenomen worden.

Het beheer en de betaling van de pensioenen

Een provinciaal of plaatselijk bestuur dat aangesloten is bij het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen, kan het beheer en de betaling van de pensioenen toevertrouwen aan de FPD of aan een pensioeninstelling (bv. Ethias, Ogeo Fund).

Een pensioeninstelling is de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening zoals beschreven in artikel 2, eerste lid, 1° van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen of de verzekeringsmaatschappij zoals bedoeld in boek II en III van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen waarmee het provinciaal of plaatselijk bestuur een overeenkomst heeft afgesloten.

Een provinciaal of plaatselijk bestuur dat het beheer en de betaling van de pensioenen niet langer wil toevertrouwen aan een pensioeninstelling, maar aan de FPD moet de dienst 'Financieel beheer pensioenstelsels ambtenaren' van de FPD verwittigen via aangetekende brief uiterlijk op 30 september, voorafgaand aan het jaar van de overgang.

Een provinciaal of plaatselijk bestuur dat het beheer en de betaling van de pensioenen niet langer wil toevertrouwen aan de FPD, maar aan een pensioeninstelling, moet de dienst 'Financieel beheer pensioenstelsels ambtenaren' van de FPD verwittigen via een aangetekende brief uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar van de overgang.

De pensioenbijdragen: een basispensioenbijdrage en een responsabiliseringsbijdrage

De pensioenbijdragen voor het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen bestaan uit:

  • een basispensioenbijdrage
    en
  • eventueel een responsabiliseringsbijdrage.

De basispensioenbijdrage:

  • moet betaald worden door alle lokale besturen die aangesloten zijn bij het Gesolidariseerde pensioenfonds
  • is gelijk aan een percentage van het aan pensioenbijdragen onderworpen loon van de vastbenoemden.

Voor de periode van 2012 tot 2016 verschilde de basispensioenbijdrage naargelang het pensioenstelsel waarbij het bestuur tot 31/12/2011 aangesloten was, maar de bijdragevoeten werden geleidelijk geharmoniseerd. Sinds 2016 is de basispensioenbijdrage voor alle lokale besturen gelijk aan 41,50 %.

Voor het jaar 2017 en de daaropvolgende jaren legt de minister van Pensioenen op basis van een voorstel van het Beheerscomité van de pensioenen van de provinciale en plaatselijke besturen van de FPD de basispensioenbijdrage elk jaar vast voor de volgende drie jaar. De lokale besturen kennen uiterlijk op 1 oktober de basispensioenbijdrage voor het derde erop volgende jaar.

De responsabiliseringsbijdrage is alleen verschuldigd door de lokale besturen die geresponsabiliseerd worden voor hun beperkt aantal statutaire personeelsleden in verhouding tot de pensioenlasten van hun gewezen statutaire personeelsleden.

Voor deze besturen volstaan de basispensioenbijdragen die geïnd worden op de beperkte loonmassa van hun vastbenoemden, niet om de rust- en overlevingspensioenen van hun gewezen vastbenoemden te financieren. Zij wentelen (een deel van) de eigen pensioenlast op de andere deelnemers aan de solidariteit af. De responsabilisering van deze besturen bestaat erin dat het Gesolidariseerde pensioenfonds (een deel van) de pensioenlasten te laste legt van deze besturen in de vorm van een responsabiliseringsbijdrage die op jaarbasis berekend wordt.

Jaarlijks wordt op basis van de pensioenuitgaven voor de vroegere vastbenoemden en van de loonmassa van de vastbenoemden van elk lokaal bestuur, bepaald of het bestuur een responsabiliseringsbijdrage verschuldigd is en hoeveel deze bedraagt.

De basispensioenbijdrage

De wettelijke basispensioenbijdrage bestaat uit een werknemersbijdrage van 7,50  % en een werkgeversbijdrage die voor de periode van 2012 tot en met 2015 verschilde naargelang van de pensioenpool waarbij het lokaal bestuur tot 31/12/2011 aangesloten was. Vanaf 2016 heeft de wetgever in een uniforme basispensioenbijdrage op het loon van het vastbenoemd personeelslid voorzien.

De onderstaande tabel geeft weer hoe de wettelijke basispensioenbijdragen naargelang het op 31/12/2011 toepasselijke pensioenstelsel geleidelijk naar elkaar toegroeiden om vanaf 2016 41,50% te bedragen voor alle aangesloten lokale besturen.

Wettelijke basispensioenbijdrage
jaar ex-pool 1 ex-pool 2 ex-pool 3 en ex-pool 4 ex-pool 5 hulpverlenings- zones
(2011)   (32 %)   (40 %)   (27,50 %)
2012 34 % 41 % 34 % of 41 % 31 % /
2013 36 % 41 % 36 % of 41 % 34 % /
2014 38 % 41 % 38 % of 41 % 37 % /
2015 40 % 41 % 40 % of 41 % 40 % 41 %
2016 41,50 % 41,50 % 41,50 % 41,50 % 41,50 %
2017  41,50 % 41,50 % 41,50 % 41,50 % 41,50 %
2018  41,50 %   41,50 %   41,50 %   41,50 %   41,50 %  
2019  41,50 %   41,50 %   41,50 %   41,50 %   41,50 %  
2020  41,50 %   41,50 %   41,50 %   41,50 %   41,50 %  
2021  41,50 %   41,50 %   41,50 %   41,50 %   41,50 %  

De wettelijke basispensioenbijdrage wordt in de periode van 2012 tot 2021 verminderd door het inzetten van de beschikbare reserves.

Het "Reservefonds van pool 1" werd in het verleden opgebouwd met de overschotten op de pensioenbijdragen van de aangeslotenen van het gemeenschappelijk pensioenstelsel en wordt exclusief ingezet om de basispensioenbijdrage van de besturen van ex-pool 1 te verminderen.

Een deel van de andere beschikbare reserves dat overgedragen is aan het "Amortisatiefonds" binnen het Gesolidariseerde pensioenfonds, werd ook aangewend om de besturen een korting te geven op de wettelijke basispensioenbijdrage.

De wettelijke basispensioenbijdrage werd al door het inzetten van beide reserves verminderd in de jaren 2012 tot en met 2015, en wordt nog steeds verminderd met 3,50% in 2016 en 2017, en met 3 % in 2018 en 2019 , 2020 en 2021 voor de besturen van ex-pool 1. De effectieve basispensioenbijdrage is in 2018-2021 gelijk aan 38,50 % voor de besturen van de vroegere pool 1 en aan 41,50 % voor de andere besturen.

De onderstaande tabel geeft een overzicht van de effectieve basispensioenbijdragen vanaf het jaar 2011 tot en met het jaar 2021.

Effectieve basispensioenbijdrage
jaar ex-pool 1 ex-pool 2 ex-pool 3 en ex-pool 4 ex-pool 5 hulpverlenings- zones
(2011) (32 %) (40 %)   (27,50 %)
2012 32,50 % 40,50 % 33 % of 40,50 % 29 % /
2013 34 % 41 % 35 % of 41 % 31 % /
2014 36 % 41 % 37 % of 41 % 34 % /
2015 38 % 41 % 39,50 % of 41 % 38,50 % 39,50 of 41 %
2016 38 % 41,50 % 41,50 %   41,50 %   41,50 %  
2017 38 % 41,50 %   41,50 %   41,50 %   41,50 %  
2018 38,50 % 41,50 %   41,50 %   41,50 %   41,50 %  
2019 38,50 % 41,50 %   41,50 %   41,50 %   41,50 %  
2020 38,50 % 41,50 % 41,50 % 41,50 % 41,50 %
2021 38,50 % 41,50 % 41,50 % 41,50 % 41,50 %

De responsabiliseringsbijdrage

Algemeen

Een responsabiliseringsbijdrage is verschuldigd als de eigen pensioenverhouding (= EPV) van een lokaal bestuur tijdens het kalenderjaar groter was dan de wettelijke basispensioenbijdrage. De eigen pensioenverhouding van een bestuur is voor een kalenderjaar gelijk aan de verhouding tussen

  • de pensioenlast (PL) = de rust- en overlevingspensioenen die het Gesolidariseerde pensioenfonds gedragen heeft voor de gewezen vastbenoemden of hun rechthebbenden, inclusief de pensioenaandelen in deze pensioenen die ten laste zijn van het Gesolidariseerde pensioenfonds;
  • de loonmassa (LM) = de loonmassa van de actieve vastbenoemden van het bestuur die onderworpen wordt aan de pensioenbijdragen voor de vastbenoemden.

Als een werknemer opeenvolgende diensten verricht heeft bij verschillende besturen, aangesloten bij het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen, dan wordt de responsabiliseringsbijdrage van elk bestuur berekend op het deel van de pensioenlast dat betrekking heeft op de duur van de bij hem aanneembare diensten.

Om de responsabiliseringsbijdrage vast te stellen, wordt de eigen pensioenverhouding vergeleken met de wettelijke basispensioenbijdrage, niet met de effectieve basispensioenbijdrage. Een bestuur van ex-pool 1 dat in 2015 een eigen pensioenverhouding had van 40,00 %, was geen responsabiliseringsbijdrage verschuldigd. Een bestuur van ex-pool 1 dat in 2015 een eigen pensioenverhouding had van 45,00%, was wel een responsabiliseringsbijdrage verschuldigd.

De gedeeltelijke responsabilisering

Een lokaal bestuur dat vastbenoemden in dienst heeft, wordt gedeeltelijk geresponsabiliseerd en moet slechts een deel van zijn individuele pensioenlasten die niet gedekt worden door de basispensioenbijdragen, op zich nemen.

De responsabiliseringsbijdrage is een aandeel van het verschil tussen de individuele pensioenlast (die uitbetaald wordt aan de vroegere vastbenoemden van het lokaal bestuur) en de opbrengst van de (door het lokaal bestuur) betaalde basispensioenbijdrage. Het percentage dat het lokaal bestuur zelf moet dragen, is de responsabiliseringscoëfficiënt (= RC). Het resterende saldo wordt gedragen door het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen.

De responsabiliseringscoëfficiënt is "gelijk" voor alle geresponsabiliseerde werkgevers, ongeacht de pool waarbij de werkgever aangesloten was vóór 01/01/2012.

De responsabiliseringsbijdrage is "verschillend" per bestuur omdat de pensioenlast van de vroegere vastbenoemden en de individuele loonmassa van de huidige vastbenoemden verschillen per bestuur. De bijdrage is gelijk aan het product van de responsabiliseringscoëfficiënt met het verschil tussen

  • de pensioenlast (PL)
    en
  • de basispensioenbijdragen voor de vastbenoemden (BB % X LM).

Bij het berekenen van de responsabiliseringsbijdrage van een lokale politiezone worden de pensioenen van de gemeentepolitie, ingegaan vóór 01/04/2001, mee opgenomen in de pensioenlast.

De volledige responsabilisering

Een lokaal bestuur dat tijdens een kalenderjaar geen vastbenoemden meer in dienst heeft, wordt volledig geresponsabiliseerd. De loonmassa van de vastbenoemden is gelijk aan nul, maar het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen draagt nog wel pensioenlasten voor zijn gewezen vastbenoemde personeelsleden. Het bestuur draagt de eigen pensioenlasten voor 100 %.

Het vastbenoemde brandweerpersoneel en de responsabilisering

Een specifieke berekeningswijze wordt gehanteerd voor de vastbenoemden van de brandweerdiensten die in het kader van de brandweerhervorming overgedragen zijn van een gemeente of een intercommunale naar een hulpverleningszone, en zorgt ervoor dat de oprichting van de hulpverleningszones geen (positieve of negatieve) financiële impact heeft op de responsabiliseringsbijdrage van de gemeenten die de zone vormen.

Bij de berekening van de responsabiliseringsbijdrage van een gemeente of een intercommunale wordt de gemeente of de intercommunale geacht de werkgever gebleven te zijn van het overgedragen personeel, en wordt zij verondersteld het loon en de basispensioenbijdragen van het vastbenoemde brandweerpersoneel betaald te hebben. Anderzijds blijft de pensioenlast van de vroegere personeelsleden van de brandweerdiensten die lopende waren op het ogenblik van de personeelsoverdracht naar de hulpverleningszone, volledig ten laste van de gemeente.

De responsabiliseringsbijdrage van een hulpverleningszone wordt alleen berekend op de basispensioenbijdragen van het vastbenoemde brandweerpersoneel dat de hulpverleningszone zelf aangeworven heeft. Er wordt geen rekening gehouden met de basispensioenbijdragen van de overgedragen vastbenoemden. Anderzijds wordt de pensioenlast van de door de gemeente of de intercommunale overgedragen vastbenoemden volledig toegerekend aan de hulpverleningszones, met inbegrip van het gedeelte van het pensioen dat betrekking heeft op de dienstjaren gepresteerd bij de gemeente.

De responsabiliseringscoëfficiënt

De wettelijke responsabiliseringscoëfficiënt is vastgelegd op minstens 50 %.

In een overgangsperiode van 2012 tot 2015 heeft de DIBISS een deel van de andere beschikbare reserves (Amortisatiefonds) ingezet om een deel van de aanvullende werkgeversbijdragen die de geresponsabiliseerde lokale besturen verschuldigd zijn aan het Gesolidariseerde pensioenfonds, te financieren. Hierdoor kon de wettelijke responsabiliseringscoëfficiënt dalen

  • tot 36,97 % voor het jaar 2012,
  • tot 38,26 % voor het jaar 2013,
  • tot 39,24 % voor het jaar 2014,
  • tot 45,41 % voor het jaar 2015.

Vanaf 2016 bedraagt de responsabiliseringscoëfficiënt werkelijk 50%. 

 

De procedure voor de inning van de jaarlijkse responsabiliseringsbijdrage

De responsabiliseringsbijdrage van een lokaal bestuur wordt vastgesteld op basis van de goedgekeurde rekeningen van de FPD voor het kalenderjaar (= N) in de maand juni van het daaropvolgende jaar (= N + 1). De FPD bepaalt op basis van het exacte bedrag van de pensioenuitgaven en de loonmassa van de vastbenoemden

  • de responsabiliseringscöefficiënt voor alle geresponsabiliseerde besturen en
  • de responsabiliseringsbijdrage van elk geresponsabiliseerd bestuur.

In de loop van de maand september van daaropvolgende jaar (= N + 1) verstuurt de RSZ naar de e-Box van elk bestuur dat bij het Gesolidariseerd pensioenfonds aangesloten is, een bericht over de responsabiliseringsbijdrage. Indien het bestuur de bijdrage verschuldigd is, dan ontvangt het via de e-Box ook een factuur met het bedrag van de bijdrage dat het bestuur moet betalen uiterlijk eind december van hetzelfde jaar.

De maandelijkse factuur van de RSZ bevat geen voorschot op de responsabiliseringsbijdrage. De FPD prefinanciert de pensioenuitgaven van de vroegere vastbenoemden van de geresponsabiliseerde lokale besturen die niet gedekt zijn door de basispensioenbijdragen. Elk bestuur is vrij om maandelijkse voorschotten van één twaalfde van het geraamd bedrag van de responsabiliseringsbijdrage te betalen.

Vanaf juni 2018 wordt de responsabiliseringsbijdrage maandelijks geïnd.

Elk lokaal bestuur, dat voor het voorlaatste jaar een responsabiliseringsbijdrage verschuldigd was moet, de - naar verwachting verschuldigde - responsabiliseringsbijdrage voor het voorgaande jaar betalen via 10 maandelijkse stortingen aan de RSZ. De maandelijkse termijnen die in de periode van januari tot en met oktober betaald moeten worden, belopen 1/12e van het vermoedelijke bedrag van de responsabiliseringsbijdrage voor het voorgaande jaar dat geraamd wordt op basis van het bedrag van de bijdrage die het bestuur verschuldigd was voor het voorlaatste jaar (= de op dat ogenblik laatst aan het bestuur gefactureerde responsabiliseringsbijdrage).

In de maanden november en december moet het bestuur telkens de helft van het verschil betalen tussen het definitief vastgestelde bedrag van de responsabiliseringsbijdrage voor het voorgaande jaar (die in september van het lopende jaar wordt berekend) en de som van de 10 reeds betaalde maandelijkse termijnen. Het bestuur zal een terugstorting ontvangen ingeval het verschil resulteert in een saldo in zijn voordeel.

Vanaf januari 2019 wordt de betaling van de responsabiliseringsbijdrage in de tijd vooruitgeschoven door over te schakelen naar de betaling van de responsabiliseringsbijdrage in het jaar zelf waarop zij betrekking heeft.

Om de hieruit voortvloeiende toename van de financiële lasten voor de geresponsabiliseerde besturen beperkt te houden, zal het vooruitschuiven van het betalingstijdstip van de responsabiliseringsbijdrage gefaseerd verlopen:

  • te beginnen vanaf 2019 zal geleidelijk, jaar na jaar ook een steeds groter wordend deel van de voor het lopende kalenderjaar verschuldigde responsabiliseringsbijdrage moeten worden betaald onder de vorm van (aanvullende) maandelijkse termijnen.
  • Terzelfdertijd zullen tijdens deze overgangsfase de maandelijkse termijnen tot betaling van de responsabiliseringsbijdrage voor het vorige kalenderjaar verminderen.
  • Na afloop van deze overgangsfase, waarvan de duur afhankelijk is van de omvang van de thesauriebehoeften van het Gesolidariseerde pensioenfonds, zullen de maandelijks te betalen termijnen uitsluitend betrekking hebben op de responsabiliseringsbijdrage voor het lopende kalenderjaar.

 

Net zoals de 10 maandelijkse termijnen tot betaling van de responsabiliseringsbijdrage voor het vorige kalenderjaar (periode van januari tot en met oktober), zullen de 12 (aanvullende) maandelijkse termijnen tot betaling van de responsabiliseringsbijdrage voor het lopende kalenderjaar (periode van januari tot en met december) vastgesteld worden op 1/12e van het vermoedelijke bedrag van de responsabiliseringsbijdrage voor het betreffende jaar dat geraamd wordt op basis van het bedrag van de laatst aan het bestuur gefactureerde responsabiliseringsbijdrage (= de responsabiliseringsbijdrage verschuldigd voor het voorlaatste kalenderjaar). Aldus zal voor de vaststelling van het bedrag van de maandelijkse termijnen en de aanvullende maandelijkse termijnen die betaald zullen moeten worden in 2019, 2020, 2021, … de gefactureerde responsabiliseringsbijdrage voor respectievelijk het jaar 2017, 2018, 2019, … in aanmerking worden genomen.

 

De berekening van de pensioenbijdrage: voorbeelden

De berekening van de pensioenbijdrage

De totale pensioenbijdrage van een bestuur (TPB) dat aangesloten is bij het Gesolidariseerde pensioenfonds, is gelijk aan de som van de basisbijdrage en de responsabiliseringsbijdrage en wordt berekend met de formule

TPB = BB + RB = [BB % X LM] + [RC X (PL - BB)]

waarbij

  • TPB = totale pensioenbijdrage
  • BB = basispensioenbijdrage
  • RB = responsabiliseringsbijdrage  
  • BB % = basispensioenbijdragevoet
  • LM = loonmassa
  • RC = responsabiliseringscoëfficiënt
  • PL = pensioenlast

Voorbeeld 1: gedeeltelijke responsabilisering

Een bestuur, dat tot 31/12/2011 aangesloten was bij pool 1, heeft voor het jaar 2015 een loonmassa van de vastbenoemden die gelijk is aan 1 000 000 euro en een pensioenlast van 700 000 euro. De fictieve responsabiliseringscoëfficiënt bedraagt 50 %.

Gegevens

  • loonmassa (LM) = 1 000 000 euro
  • pensioenlast (PL) = 700 000 euro
  • basisbijdragepercentage (BB%) = 40 %
  • responsabiliseringscoëfficiënt (RC) = 50 %

Eerste stap: de berekening van de basisbijdrage (na korting)

BB zonder korting = BB % X LM = 40 % X 1 000 000 = 400 000 euro

BB na korting = 38 % X 1 000 000 = 380 000 euro.

Tweede stap: bepaling van de responsabilisering op basis van eigen pensioenverhouding

EPV = PL / LM = 700 000 / 1 000 000 = 70 %  

Aangezien de eigen pensioenverhouding (70 %) groter is dan de wettelijke basisbijdrage (40 %), wordt het bestuur geresponsabiliseerd.

Derde stap: berekening van de responsabiliseringsbijdrage (met korting)

RB = RC X (PL - BB)

RB zonder korting = 50 % X (PL - {BB % X LM})

RB zonder korting = 50 % X (700 000 - 400 000) = 50 % X 300 000 = 150 000 euro

RB met korting = 45,41 % X (700 000 - 400 000) = 45,41 % X 300 000 = 136 230 euro

Vierde stap: berekening van de totale pensioenbijdrage

TPB = BB + RB = 380 000 + 136 230 = 516 230 euro

Voorbeeld 2: volledige responsabilisering  

Een intercommunale die tot 31/02/2011 aangesloten was bij pool 1, heeft in 2015 geen vastbenoemden meer in dienst en stelde 53 contractanten tewerk. Aan de vroegere vastbenoemden van het bestuur betaalde het Gesolidariseerde pensioenfonds 120 661 euro pensioenen uit. De werkgever moet de volledige pensioenlast van zijn vroegere vastbenoemden dragen.

Gegevens

  • loonmassa (LM) = 0 euro
  • pensioenlast (PL) = 120 661 euro
  • basisbijdragepercentage (BB%) = 38 %
  • responsabiliseringscoëfficiënt (RC) = 50 %

Eerste stap: de berekening van de basisbijdrage

BB = BB % X LM = 38 % X 0 = 0 euro

Tweede stap: bepaling van de responsabilisering op basis van eigen pensioenverhouding

Aangezien er een pensioenlast, maar geen basisbijdrage is, wordt het bestuur volledig (= 100 %)geresponsabiliseerd voor de pensioenlast.

Derde en vierde stap: berekening van de responsabiliseringsbijdrage

De verschuldigde responsabiliseringsbijdrage is gelijk aan 120 661 euro.

De herstructurering van een provinciaal of plaatselijk bestuur

Een lokaal bestuur dat aangesloten is bij het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen, kan er niet uitstappen. De aansluiting is definitief en onherroepelijk.

Overdracht naar een niet bij het Fonds aangesloten bestuur

Als een bij het Gesolidariseerd pensioenfonds aangesloten lokaal bestuur één of meerdere activiteiten en de daarin tewerkgestelde vastbenoemden overdraagt aan een ander (lokaal of niet-lokaal) bestuur dat niet aangesloten is bij het fonds, dan moet het overnemend bestuur bijdragen in de pensioenlasten van de gewezen vastbenoemden van het overdragend lokaal bestuur.

De over te nemen pensioenlast bestaat uit:

  • een aandeel van de al lopende pensioenen van de gewezen vastbenoemden van het overdragend lokaal bestuur die ten laste zijn van het Gesolidariseerde pensioenfonds; Het te dragen aandeel in deze lopende pensioenlast is gelijk aan de verhouding die de aan pensioenbijdragen onderworpen weddenmassa van het overgehevelde personeel vertegenwoordigt ten opzichte van de totale weddenmassa van het overdragende lokaal bestuur op het ogenblik van de herstructurering;
  • de toekomstige pensioenaandelen van de overgedragen actieve vastbenoemden die betrekking hebben op de dienstjaren gepresteerd bij het overdragend lokaal bestuur. Aan het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen worden er voor deze dienstjaren geen pensioenaandelen aangerekend.

Overdracht naar een bij het Fonds aangesloten bestuur

Als een bij het Gesolidariseerd pensioenfonds aangesloten lokaal bestuur één of meerdere activiteiten en de daarin tewerkgestelde vastbenoemden overdraagt aan een ander lokaal bestuur dat ook aangesloten is bij het fonds, is deze herstructurering niet steeds neutraal voor de berekening van de responsabiliseringsbijdrage (voor bijkomende informatie zie mededeling betreffende de impact van herstructureringen van lokale besturen op de responsabilisering).

 

Mededelingen